Historie

Duitse veldgraven in Oosterbeek
door Hans Timmerman (2004/2009)
Inleiding
Van 17 tot 26 september 1944 werden door Britse en Duitse militaire eenheden in Arnhem en Oosterbeek en omgeving zware gevechten geleverd die later onder de naam Slag om Arnhem bekend zouden worden. Aan Britse zijde vocht de 1st British Airborne Division, aangevuld met de 1st Polish Independent Parachute Brigade Group. Deze eenheden, die samen uit bijna 12.000 man bestonden, zagen zich geplaatst tegenover de gedecimeerde 9.SS-Panzerdivision “Hohenstaufen” en 10.SS-Panzerdivision “Frundsberg”, en de zogenaamde Westgruppe die bestond uit diverse eenheden van Wehrmacht, Kriegsmarine, Waffen-SS en Luftwaffe. Gedurende de strijd werden deze formaties voortdurend aangevuld met materieel en manschappen. Exacte cijfers over het totale aantal Duitse soldaten dat toen is ingezet, zijn niet bekend. Geschat wordt dat het om 18.000 tot 20.000 man ging.
Tijdens en ten gevolge van de gevechtshandelingen kwamen, inclusief die van de luchtmacht, ongeveer 1900 geallieerde militairen om het leven. Van de gesneuvelden aan Duitse zijde zijn geen precieze aantallen bekend. Op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn bevinden zich zeker 1733 graven van soldaten die zeer waarschijnlijk betrokken zijn geweest bij de gevechtshandelingen in en rond de Gelderse hoofdstad. In enkele Duitse plaatsen langs de Nederlandse grens, zoals Bocholt en Emmerich, werden ook Duitse Slag om Arnhem gesneuvelden ter aarde besteld. Hoeveel elders zijn begraven of worden vermist is niet bekend.
Duitse gewonden en gesneuvelden
De Duitse militairen die in en rond Oosterbeek en Arnhem tijdens de gevechten sneuvelden, kregen in veel gevallen ter plaatse een veldgraf. Deze lagen overal in het gevechtsgebied verspreid: in tuinen, langs wegen, in bossen etc.. Grote aantallen lijken werden afgevoerd naar de Duitse militaire begraafplaatsen Ehrenfriedhof Zypendaal te Arnhem en Ehrenfriedhof Grebbeberg te Rhenen. Anderen kwamen terecht op burgerkerkhoven, vaak in de omgeving van plaatsen waar eenheden voor en na de gevechten waren ondergebracht. Ook namen de Duitsers een aantal noodbegraafplaatsen in gebruik. Deze lagen onder meer in Arnhem aan de Apeldoornseweg bij de Saksen Weimar Kazerne, in Velp langs de Zutphensestraatweg, en in Ede bij de Ginkelse Heide. In een enkel geval namen uit Duitsland aangevoerde eenheden hun doden na de strijd mee terug naar de plaats van vertrek, waar zij op een kerkhof ter aarde werden besteld. Hiermee week men af van de richtlijnen omdat Duitse militairen in het land waar zij sneuvelden, begraven moeten worden.

De gewonde militairen werden in de regel vlak achter de frontlinie opgevangen in een beschutte plaats, waardoor zogenaamde Verbandnesten ontstonden. In een dergelijke verzamelplaats voor gewonden werd eerste hulp verstrekt om ervoor te zorgen dat deze konden worden vervoerd naar een in de directe omgeving gelegen Truppenverbandplatz. Hier werden medische handelingen zoals bloedtransfusies e.d. uitgevoerd om acuut levensgevaar te voorkomen, zodat de gewonden verder konden worden getransporteerd naar een in de regio gelegen Hauptverbandplatz of een Kriegslazarett. In de hoofdverbandplaats werden bij degenen die niet vervoerd konden worden, operaties verricht zoals noodamputaties, het stelpen van bloedingen en het afdichten van borstwonden. Het militaire hospitaal was bedoeld voor de chirurgische behandeling van de minder urgente gevallen met een lange rusttijd. Hier konden tevens specialistische operaties worden uitgevoerd.
Door de enorme aanvoer van gewonden was van deze hiërarchie, zoals die volgens voorschrift in het Duitse leger moest worden toegepast, niet altijd sprake. Chirurgische handelingen die officieel moesten worden uitgevoerd in een Kriegslazarett, werden bijvoorbeeld ook toegepast in een Hauptverbandplatz.

Om de gewonden en doden uit het strijdgebied te halen, werden allerhande middelen, waaronder paard en wagen, vrachtauto’s, buitgemaakte jeeps, rodekruisvoertuigen en zelfs tanks, gebruikt.

Truppenverbandplätze waren onder meer in Hotel De Leeren Doedel en Hotel Wolfheze ondergebracht, en verhuisden naarmate de strijd vorderde mee met de oprukkende eenheden. In Velp was een Hauptverbandplatz gevestigd.

Kriegslazarette waren al vóór september 1944 gehuisvest in verschillende gebouwen en ziekenhuizen die de Duitsers in de eerste oorlogsjaren hadden gevorderd. Vaak ging het in eerste instantie om delen van deze panden. Naarmate de oorlog vorderde, het front dichterbij kwam, en het aantal gewonden toenam, werden ze volledig in beslag genomen. In het Diaconessenhuis en Gemeenteziekenhuis in Arnhem was het Kriegslazarett 1/686 gevestigd, in het St. Anthoniusziekenhuis in Utrecht was een Kriegslazarett te vinden, en in de St. Josephstichting in Apeldoorn was het Kriegslazarett 4/686 ondergebracht. Het Diaconessenhuis werd overigens op de eerste dag van de Slag om Arnhem verlaten.
Ook werden Duitse gewonden verzorgd in Britse militaire hospitalen, die onder meer gevestigd waren in Hotel Schoonoord en Hotel De Tafelberg in Oosterbeek.
Veel jongens en mannen bezweken uiteindelijk aan hun verwondingen, en kregen een graf op het terrein van de desbetreffende verbandplaats of hospitaal, of werden ter aarde besteld op een begraafplaats in de buurt. Daarnaast zijn gewonden naar ziekenhuizen in Duitsland gebracht, zoals het Reserve-Lazarett Emmerich. Degenen die daar overleden, vonden veelal hun laatste rustplaats op een nabijgelegen kerkhof.

De veldgraven in Oosterbeek en omgeving
Ondanks dat veel van de omgekomen Duitse militairen tijdens en na de strijd waren afgevoerd, bleef een groot deel in veldgraven in Oosterbeek en omgeving achter. De meest voor de hand liggende reden hiervoor is dat een aantal eenheden niet de middelen had de gesneuvelden te vervoeren, en direct na de gevechten elders werd ingezet.

Het ging hierbij voornamelijk om veldgraven van soldaten van onderdelen die ingedeeld waren bij de Kampfgruppe Von Tettau (Westgruppe), die gevechten leverden aan de westzijde van het frontgebied. Vooral van het Luftwaffe-onderdeel Ersatz- und Ausbildungs-Regiment Hermann Göring, en de Kriegsmarine-eenheden 10.Schiffsstamm-Abteilung, 14.Schiffsstamm-Abteilung en Marine Schützen Bataillon 250 lagen na de bevrijding grote aantallen omgekomen militairen in Oosterbeek begraven.
Na de gevechten waren zij niet alleen ter aarde besteld door militairen van de eigen onderdelen, maar ook door Britse krijgsgevangenen, en in het dorp achtergebleven burgers, die onder dwang van de Duitsers werden ingezet.

Na de Slag lagen Oosterbeek en omgeving regelmatig onder geallieerd artillerievuur vanuit de Betuwe, waardoor meerdere Duitse soldaten om het leven kwamen. Deze beschietingen zullen er ook toe hebben bijgedragen dat bij het opgraven en afvoeren van doden geen prioriteit werd gelegd.

Bootsmann Alfred Steckhan
Alfred Steckhan was als Bootsmann ingedeeld bij de Duitse Kriegsmarine. Oorspronkelijk gestationeerd in Frankrijk moest hij na de geallieerde landingen op 6 juni 1944 in Normandië, terugtrekken richting Nederland. Daar werd hij ondergebracht bij het Marine Auffanglager Zwolle, waar al het terugtrekkende marinepersoneel uit Frankrijk en België werd verzameld. Ten behoeve daarvan werden in de stad diverse gebouwen gevorderd. Het Kommando Marine Auffanglager was gezeteld in het toenmalige Restaurant Jansen aan de Stationsstraat 1. De manschappen werden gelegerd in een aantal scholen, waaronder het Christelijk Lyceum en de school aan de Enkstraat. In een ander gevorderd schoolgebouw was een Krankensammelstelle ingericht waar gewonde Kriegsmarine militairen uit Frankrijk werden opgevangen en verzorgd.

Alfred werd ingedeeld bij de 2. Kompanie Marine Auffanglager Zwolle. Op 17 september 1944 schreef hij daarvandaan aan zijn vrouw en kinderen in Hamburg:

“Mein liebe Lies,

Recht herz. Dank für Deinen Brief vom 10.9.44. Ich bin froh, dass Ihr alle noch da seid. Heute darf man sich nämlich nicht mehr wundern, wenn es mal anders kommt. Vielleicht kommen Deinen Briefe trotzdem noch an. Wenn nicht bald die neuen Waffen eingesetzt werden, dann weiss ich nicht, wie dieser Kampf enden wird. Trotz allem habe ich doch noch Hoffnung, denn, wenn wir jetzt die Flinte ins Korn werfen, ist’s aus mit uns.”

“Mijn liefste Lies,

Heel hartelijk bedankt voor je brief van 10.9.44. Ik ben blij dat jullie allemaal nog in leven zijn. Tegenwoordig moet je namelijk niet opkijken als het plotseling anders loopt. Misschien komen je brieven toch nog aan. Als niet spoedig de nieuwe wapens worden ingezet, dan weet ik niet hoe deze strijd zal eindigen. Ondanks alles heb ik toch nog hoop, want als we nu het bijltje erbij neer gooien, is het met ons gedaan.”

Alfred was zich op het moment dat hij deze brief schreef uiteraard niet bewust van de aanstaande geallieerde luchtlandingen bij Wolfheze die dezelfde dag zouden plaatsvinden.
Kort na het begin daarvan werd in het Auffanglager een gevechtseenheid onder de naam Marine Schützen Bataillon 250 gevormd, waarvan Alfred zeer waarschijnlijk deel uitmaakte. Deze werd vanaf 19 september 1944 in Oosterbeek en omgeving tegen de Britse luchtlandingstroepen ingezet.

Op 20 september kwam Alfred ter hoogte van de Valkenburglaan in Oosterbeek om het leven. Kort na de gevechten kreeg zijn vrouw echter bericht van zijn eenheid dat haar man met een schot in de buik in een militair hospitaal in het gevechtsgebied was opgenomen. Op 30 september werd het Bataillon 250 ontbonden, en als personeelsreserve teruggestuurd naar Zwolle. Twee maanden later ontving Alfreds vrouw een brief van de plaatsvervangende commandant van de 2. Kompanie Marine Auffanglager Zwolle, waarin hij schreef:

“Sehr geehrte Frau Steckhan

Da Ihr Mann, der sich vor einigen Wochen im Einsatz befand, verwundet wurde und nach seiner Genesung wahrscheinlich nicht zur hiesigen Einheit zurückkehren wird, lassen wir Ihnen heute seine Privatsachen laut der beigefügten Aufstellung zugehen. Die Dienstbekleidung Ihres Mannes wurde hier vereinnahmt.

Wir hoffen dass Sie inzwischen gute Nachricht von ihm erhalten haben und begrüssen Sie mit den besten Wünschen.”

“Zeer geachte mevrouw Steckhan,

Omdat uw man, die enkele weken geleden in de strijd werd ingezet, gewond raakte, en na zijn herstel waarschijnlijk niet naar zijn huidige eenheid zal terugkeren, doen wij u heden zijn persoonlijke bezittingen volgens bijgevoegde specificatie toekomen. De dienstkleding van uw man werd hier ingenomen.

Wij hopen dat u ondertussen goed nieuws van hem hebt ontvangen, en begroeten u met de beste wensen.”

Uit de brief blijkt dat de plaatsvervangende compagniescommandant niet op de hoogte was van het feit dat de Bootsmann op 20 september aan zijn verwondingen was overleden.

In 1945, na de bevrijding, trof men het veldgraf van Alfred Steckhan langs de Valkenburglaan in Oosterbeek aan, maar hij werd geregistreerd onder de afwijkende achternaam Sterkhan. Op het graf waren slechts zijn voor- en achternaam vermeld. Rang, legernummer, onderdeel en andere gegevens werden niet aangetroffen. Zijn stoffelijke overschot werd overgebracht naar het Ehrenfriedhof Zypendaal in Arnhem.

Omdat Alfreds vrouw in 1947 nog steeds geen zekerheid had over het lot van haar man, stuurde zij een brief aan de gemeente Arnhem. De desbetreffende ambtenaren konden echter helaas geen verband leggen tussen de naam Steckhan van de vermiste, en de onjuiste naam Sterkhan die op de lijst van opgegraven Duitse militairen in de gemeente Renkum voorkwam. Opmerkelijk, omdat de beide achternamen zeer sterk op elkaar lijken, en de voornamen zelfs gelijk waren.

In 1948 werd Alfred daardoor onder de afwijkende achternaam overgebracht naar de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. Door de gebrekkige identificatie in de eerste jaren na de oorlog waren vele Duitse militairen als ‘onbekende’, onder een verkeerde naam of met gebrekkige gegevens naar die dodenakker overgebracht. Daarom werd begin jaren ’60 geprobeerd om van een groot aantal soldaten de ware identiteit alsnog vast te stellen. Ook Alfred kwam hiervoor in aanmerking. Aangezien het identificeren toen niet lukte, lag hij tot voor enkele jaren onder de naam Alfred Sterkhan, zonder verdere persoonsgegevens, begraven.

Doordat de bovengenoemde brief van mevrouw Steckhan door mij in het gemeentearchief in Arnhem werd aangetroffen, kon 52 jaar na dato de desbetreffende informatie toch nog worden gecombineerd met de onjuiste naam op de lijst van de gemeente Renkum. Een goede samenwerking tussen verschillende Duitse instanties had vervolgens alsnog de positieve identificatie tot gevolg, en men is erin geslaagd de twee dochters van Alfred op te sporen. Zijn weduwe bleek inmiddels overleden te zijn.

De identificatie van Bootsmann Alfred Steckhan bewijst dat het ook na meer dan zestig jaar van groot belang is onderzoek te doen naar de identiteit van vermisten die als ‘onbekende’ of onder een afwijkende naam op de Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn of elders, in Duitsland, begraven zijn.

Alfred Steckhan werd 48 jaar oud.

Gefreiter Wolfgang Dinkel
Een Duitse militaire eenheid van de genie die aan de strijd deelnam en waarover tot op heden weinig bekend is, was het Pionier Bataillon 26 zur besondern Verwendung Höxter/Weser, ook wel Pionier Bataillon Arnheim genoemd.
Om de Britse troepenmacht het hoofd te kunnen bieden, werden uit de verre omtrek van Arnhem Duitse eenheden vrijgemaakt of opgesteld om aan de strijd deel te nemen.

Gefreiter (korporaal) Wolfgang Dinkel was oorspronkelijk afkomstig van Pionier Horchzug (motorisiert) 16, dat belast was met het volgen van de vijand met behulp van afluisterapparatuur. Ook hij werd ingedeeld bij een eenheid die speciaal voor de gevechten in Arnhem en Oosterbeek in het leven werd geroepen. Dit Pionier Bataillon 26 z.b.V. Höxter/Weser werd op 21 september in grote haast in de plaats Höxter aan de rivier de Weser (Nordrhein-Westfalen) geformeerd, en bestond uit compagnieën waarin genisten van diverse eenheden waren ondergebracht. Wolfgang werd ingedeeld bij de 1e Compagnie, die onder bevel stond van Leutnant und Kompanieführer Andel, een officier die Wolfgang tot op dat moment niet kende. Direct na de opstelling werd het onderdeel, waarvan de sterkte onbekend is, op transport gesteld, en kwam op 22 september in Kleef aan.
Die dag schreef Wolfgang daarvandaan het volgende aan zijn ouders in Stuttgart-Bad-Cannstatt.

“Meine alte Kompanie, in Stablack mit grossem Hin und Her aufgestellt, ist jetzt sozusagen aufgeplatzt. In aller Eile wurde gestern in H. eine Kompanie zusammengerafft und nach dem Westen geworfen. Dieser neuen Kampfkompanie, die in kürzester Frist frontmässig eingesetzt wird, gehöre ich auch an. – Wir Hören von hier aus schon das Artillerie und M.G.-Feuer der Westfront.”

“Mijn oude compagnie, in Stablack met grote moeite opgesteld, is nu zogezegd uiteengevallen. In grote haast werd gisteren in H. (Höxter -HT) een compagnie samengeraapt en naar het westen verplaatst. Tot deze nieuwe gevechtscompagnie, die op de kortste termijn aan het front zal worden ingezet, behoor ik ook. We horen hier al het vuren van artillerie en machinegeweren van het Westfront.”

Een andere soldaat uit Wolfgangs compagnie, Pionier (geniesoldaat) Josef Forstner uit Oostenrijk, schreef diezelfde dag aan zijn familie:

“Liebste Eltern! Muß Euch leider schnell ein paar traurige Zeilen mitteilen, bin seit gestern im Ruhrgebiet, heute den 22. um 6 Uhr abends ziehen wir in den kampf, auf Häuser- und Straßenkampf. Also wenn es die letzten Zeilen wären, nochmals tausend Grüße Euer Josef.”

“Liefste Ouders! Moet jullie helaas snel een paar treurige zinnen mededelen, ben sinds gisteren in het Ruhrgebied, vandaag de 22ste om 6 uur vanavond trekken we ten strijde in huis- en straatgevechten. Dus als het de laatste regels zijn geweest, nogmaals duizend groeten. Jullie Josef”.

Op 22 september werd de 1e compagnie onder leiding van Leutnant Andel in Oosterbeek ingezet. Gefreiter Wolfgang Dinkel en Pionier Josef Forstner behoorden tot de eersten die kort na het begin van de gevechtsactie sneuvelden. Zij kwamen ter hoogte van het huidige huis aan de Ploegseweg 7 door een granaatinslag om het leven. Samen werden zij aan de overzijde van de straat, in de tuin van de dubbele woning aan de Ploegseweg 14/16 (nu: 14), in één veldgraf begraven. Wolfgangs compagnie bleef de dagen daarna tot het einde van de gevechtshandelingen in Oosterbeek in hetzelfde gebied actief, waarbij diverse genisten sneuvelden.

Kort na de oorlog werden in de directe omgeving van de Ploegseweg zeker 17 veldgraven van deze genie-eenheid aangetroffen. De gesneuvelden werden in augustus 1945 overgebracht naar het Ehrenfriedhof Zypendaal te Arnhem, en uiteindelijk in november 1948 naar de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. Het zwaar beschadigde huis aan de Ploegseweg 14/16 is na de oorlog afgebroken en vervangen door nieuwbouw.

In een ander deel van Oosterbeek, in de omgeving van het huis Ommershof, werden tijdens de Slag om Arnhem militairen ingezet die zeer waarschijnlijk tot de 2e Compagnie van het Pionier Bataillon 26 z.b.V Höxter/Weser behoorden. Tijdens een actie op 25 september 1944 vonden tien genisten in de leeftijd van 18 tot 36 jaar de dood. Zij werden begraven in de tuin van het nabij gelegen huis van de familie J.A. Hendriks aan de Karel van Gelderlaan. De villa Ommershof werd ‘s zomers bewoond door de familie Castendijk uit Rotterdam. Een zoon, Bob, hield destijds een dagboek bij, waarin hij schreef:

“Woensdag 11 October 1944

‘s Middags zie ik iets roerends, hetgeen Pa een paar tranen kost. 5 Pioniers, 2 ouwe en 3 jonkies zijn de 10 Moffen bij Hendriks een fatsoenlijk graf gaan geven. Het is een en al bloemen. Ze vertellen van hun Feldwebel die in Polen, Frankrijk, Balkan en Rusland heeft gevochten, het was een “alte Haudegen”. Ze laten Pa het jasje van de Feldwebel zien, E.K. I, E.K. II (IJzeren Kruis 1e en 2e klasse -HT), Ostfrontmedaille 1941-1942, goldenen Verwundetenabzeichen, Sturmabzeichen, Nahkampfspange in silber, Kriegsverdienstkreuz II klasse mit den Schwerten etc. Het zijn Rijnlanders die vandaag naar de Heimat terug zullen gaan. Ze willen nog even afscheid van hun kameraden nemen. Ze Bidden, denken aan hun kameraden, Pa bid ook. Dan gaan de 5 Pionieren weg, wij ook. Pa is diep onder de indruk.”

De genoemde Feldwebel (sergeant 1e klasse) was zeer waarschijnlijk de dertigjarige Rudi Weltecke.

Ook op diverse andere locaties sneuvelden genisten die hoogstwaarschijnlijk tot het Pionier Bataillon 26 z.b.V. behoorden. Na de oorlog werden onder meer desbetreffende veldgraven aangetroffen aan de Pietersbergseweg, Stationsweg, Bildersweg, Oranjeweg en Utrechtseweg. Op de Oude Begraafplaats aan de Fangmanweg werden drie soldaten van de genie begraven.

Op 8 oktober 1944 ontvingen Wolfgangs ouders een brief van Leutnant Andel waarin hen de dood van hun zoon werd medegedeeld. Andel schreef:

“Sehr geehrter Herr Dinkel! Es ist mir eine traurige Pflicht, Ihnen den Heldentod Ihres Sohnes Wolfgang Dinkel mitteilen zu müssen. Ich Weiß, was es für die Eltern bedeutet, das liebste, was sie auf Erden besitzen, verlieren zu müssen. Sehen Sie, auch mir erging es so, als ich Ihren Sohn als einer meiner besten Soldaten, fallen sah. Und trotzdem bin ich ungeheuer stolz auf ihn und das dürfen auch Sie sein. Er gab sein Leben für seine Lieben daheim, für seinen geliebten Führer und unser aller Vaterland.”

“Zeer geachte Heer Dinkel! Het is mij een droeve plicht, u de heldendood van uw zoon Wolfgang Dinkel te moeten mededelen. Ik weet wat het voor ouders betekent het liefste wat zij op aarde bezitten, te moeten verliezen. Ziet u, zo verging het mij ook toen ik uw zoon als een van mijn beste soldaten zag sneuvelen. En toch ben ik ongelooflijk trots op hem, en dat mag u ook zijn. Hij gaf zijn leven voor zijn geliefden thuis, voor zijn geliefde Führer, en ons aller vaderland.”

Omdat Wolfgang en zijn familie niet zo gesteld waren op Adolf Hitler wilden zij een rouwadvertentie zonder het “Führer” in de tekst “Gefallen für Führer Volk und Vaterland” laten plaatsen. Aangezien de lokale krant dit niet aandurfde, verscheen op 13 november 1944 Wolfgangs overlijdensadvertentie in de “Kocher- und Jagstbote: Nationalsozialistische Tageszeitung für den Bezirk Künzelsau”, een plaatselijke krant die in het 100 kilometer verder gelegen dorp Künzelsau werd uitgegeven.

Wolfgangs jongere broer Lothar was ook soldaat in het Duitse leger. In Normandië in Frankrijk was hij gevangengenomen door Amerikaanse troepen. Hij werd in eerste instantie vermist, en zijn ouders ontvingen pas in augustus 1945 het bericht van het Internationale Rode Kruis dat Lothar krijgsgevangene was. De kerstdagen van 1944 waren voor hen dan ook een zeer moeilijke tijd. Na zijn gevangenschap, die hij gedeeltelijk in Amerika doorbracht, kwam Lothar in augustus 1946 als twintigjarige weer bij zijn ouders thuis.

In 1954 maakte hij samen met zijn ouders voor de eerste keer na de oorlog de reis naar Oosterbeek om de oorspronkelijke graflocatie van Wolfgang op te sporen. Een buurtbewoner kon vertellen waar en onder welke omstandigheden hij was gesneuveld. De plek van het graf was nog zichtbaar. Er werden enkele foto’s gemaakt.

Opmerkelijk genoeg waren in oktober 1953 in het gebied tussen de Weverstraat en de Fangmanweg, bij het aanleggen van een trottoir, vier lijken van militairen van de 1e Compagnie van het Pionier Bataillon 26 z.b.V. Höxter /Weser gevonden.

Nadien heeft Lothar geprobeerd de laatste dagen van het leven van zijn broer te reconstrueren. Vele malen heeft hij Oosterbeek bezocht.

Gefreiter Wolfgang Dinkel werd 21 jaar oud.

Noot: tot op heden wordt in diverse publicaties over de Slag om Arnhem gesproken over een Pionier Bataillon Glogau. Er bestaat echter geen enkele concrete aanwijzing die erop duidt dat een eenheid met die naam daadwerkelijk in de regio Arnhem is geweest. Het Pionier Bataillon 26 z.b.V. Höxter/Weser, waarvan zeker is dat het in Oosterbeek is ingezet, wordt daarentegen in bijna geen enkele publicatie besproken.
Is hier sprake van een verwisseling?

Oberleutnant Artur Wossowsky
Op 17 september 1944 was de 3e Compagnie van het Fallschirm Ersatz- und Ausbildungs- Regiment Hermann Göring ondergebracht in Katwijk aan Zee. De eenheid bestond, net als de rest van het regiment, uit zeer jonge rekruten in de leeftijd rond 18 jaar, die sinds april 1944 in opleiding waren en geen enkele gevechtservaring hadden. De compagnie werd als onderdeel van het Bataillon Wossowsky, dat uit ongeveer 600 man bestond, richting Arnhem gedirigeerd. Aangezien geen transportmiddelen ter beschikking stonden, vertrok het bataljon op 17 september per fiets. De tocht werd ‘s avonds en ‘s nachts afgelegd vanwege het constante gevaar van geallieerde luchtaanvallen.

Op dinsdag 19 september bereikte het bataljon ter hoogte van de Ginkelse Heide bij Ede het gevechtsgebied, waar de nacht langs de weg werd doorgebracht. De volgende dag werd het ingezet om een stuk bos uit te kammen waar mogelijk nog Britse troepen werden verwacht. Deze werden niet aangetroffen. ‘s Avonds vertrok de eenheid naar Wolfheze om daar de nacht door te brengen.
In de loop van de donderdag werd het onderdeel tegen de geallieerde luchtlandingstroepen ingezet. Vanuit Wolfheze trokken zij naar de Westerbouwing in Oosterbeek, waar zij direct door de Britse verdedigers onder vuur werden genomen. Nadat de uitspanning door de Duitsers was veroverd, werd de aanval voortgezet in de richting van het dorp Oosterbeek, waarbij het bataljon ondersteund werd door Franse Renault tanks van de Panzer Kompanie 224. De verliezen waren zo groot dat het onderdeel tegen de middag van de 21e uit de strijd werd genomen, waarna een andere eenheid de aanval overnam.

De waarnemend commandant van het Regiment Hermann Göring, Oberst (kolonel) Fritz Fullriede, hield destijds een dagboek bij waarin hij schreef:

“Das Btl. Wossowski verliert bei den Angriff auf Oosterbeek alle Offiziere bis auf einen Leutnant, ebenso die Hälfte seiner Männer. Verursacht ist dieser wahnsinnig höhe Verlust durch einen Oberst Schramm, der dort führte und den einsatz der wenigen schweren Waffen verbot, um nicht eigene Leute zu gefährden. Dieser Idiot lässt sich lieber hunderte totschiessen. Trotz Verbot des O.K.H. etwa 1600 Rekruten nach Deutschland abtransportiert, deren Einsatz reiner Kindermord wäre.”

“Het Bataljon Wossowski verliest bij de aanval op Oosterbeek, op één luitenant na, alle officieren, evenals de helft van haar manschappen. Dit waanzinnig hoge verlies is veroorzaakt door een kolonel Schramm die daar de leiding had, en de inzet van de weinige zware wapens verbood om eigen manschappen niet in gevaar te brengen. Deze idioot laat liever toe dat honderden doodgeschoten worden. Ondanks verbod van het O.K.H. (Oberkommando des Heeres -HT) ongeveer 1600 rekruten naar Duitsland getransporteerd, van wie de inzet pure kindermoord zou zijn.”

Over ‘Oberst Schramm’ is verder helaas niets bekend.

Uiteindelijk lukte het de Duitsers later die dag het kruispunt Veerweg, Benedendorpsweg, Van Borsselenweg (ten oosten van de Westerbouwing) in handen te krijgen.

Een van de gesneuvelde officieren van wie Fullriede in zijn dagboek melding maakt, was de commandant van het Bataillon Wossowsky, Oberleutnant (1e luitenant) Artur Wossowsky. Officieel was hij ingedeeld bij de staf van het 2e Bataljon van het Fallschirm Ersatz- und Ausbildungs- Regiment Hermann Göring. Naar herinnering van Hauptfeldwebel (sergeant-majoor) Franz Niederweis, die als lid van het bataljon deelnam aan de gevechten, was Wossowsky afkomstig van een eenheid luchtdoelartillerie, en had hij geen ervaring in het leiden van infanteriegevechten.

Dat Wossowsky oorspronkelijk tot een dergelijke eenheid behoorde, wordt bevestigd door gegevens op zijn identiteitsplaatje: ‘Flak.Abt.mot.1’, wat zoveel betekent als Flak Abteilung motorisiert 1. (gemotoriseerde luchtdoelartillerie afdeling 1). Voor dit soort artillerie gebruikten de Duitsers de afkorting Flak, die staat voor Fliegerabwehrkanone.

Artur Wossowsky sneuvelde op 26-jarige leeftijd, en werd samen met acht anderen begraven in de tuin van het huis Veerweg 1. Deze boerderij, die tijdens de gevechten zwaar beschadigd was, stond ten noorden van het huidige pand Veerweg 5, en werd na de bevrijding afgebroken.

Zoals uit het dagboekfragment van Fullriede blijkt, sneuvelden op 21 september 1944 behalve Wossowsky bijna alle officieren van het bataljon. De dertigjarige Oberleutnant Felix Kozlowski was een van hen, en hij werd in een graf naast Wossowsky ter aarde besteld. Een derde officier die om het leven kwam en tot de staf van het bataljon behoorde, was Leutnant Klaus Biedermann. Zijn stoffelijk overschot werd samen met dat van 14 andere gesneuvelden van het Regiment Hermann Göring, op het Ehrenfriedhof Grebbeberg in Rhenen begraven.

De volgende dagen werd het Bataillon Wossowsky opnieuw ingezet, en voerde aanvallen uit in de richting van de toenmalige gasfabriek en het huis Dennenoord, gelegen aan de Benedendorpsweg. Hierbij sneuvelden vele militairen. Na de oorlog werden 38 veldgraven van soldaten van het bataljon aangetroffen bij de ‘Kastanjehof’ (eveneens aan de Benedendorpsweg), bij het huis ‘Dennenoord’, op de Westerbouwing en diverse andere locaties in de omgeving.

Een aantal gewonden van het Bataillon Wossowsky werd naar Utrecht gebracht. Daar waren begin 1941 de eerste verdieping en een deel van de tweede verdieping van het St. Anthonius Ziekenhuis gevorderd door de in de Kromhoutkazerne gelegerde staf van het Regiment Hermann Göring. De eenheid had de ruimte nodig ‘Zur einrichtung eines Revieres’, wat zoveel betekent als dat ze een afdeling nodig hadden om hun zieken te verzorgen.

Begin september 1944 was het gehele ziekenhuis door het regiment gevorderd en in gebruik genomen als Kriegslazarett. Tijdens de Slag om Arnhem was in het militaire hospitaal, naast de medische staf van het Regiment Hermann Göring, de Kriegslazarettabteilung 613 werkzaam. Deze eenheid was oorspronkelijk gestationeerd in Noord-Frankrijk en België, maar nadat de geallieerden dat gebied hadden ingenomen, teruggetrokken naar Nederland.

De gewonde soldaten die in het ziekenhuis overleden, werden met militaire eer bijgezet op de nabij gelegen Algemene Begraafplaats Tolsteeg. Tijdens de periode van 17 tot en met 25 september werden 38 Duitse soldaten op Tolsteeg begraven. Onder hen negen militairen van het Regiment Hermann Göring.

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is het Bataillon Wossowsky in diverse publikaties abusievelijk Bataillon Worrowski genoemd. Een fout die zeer waarschijnlijk is ontstaan door het onjuist interpreteren van het handschrift van Fullriede in zijn dagboek.

Daarnaast bestaat tevens onduidelijkheid over de schrijfwijze van de naam Wossowsky. De vorm Wossowski komt naast Wossowsky namelijk diverse keren in verschillende bronnen voor. Fullriede gebruikt in zijn dagboek drie keer Wossowsky en één keer Wossowski. In officiële stukken uit de oorlog van het Generalkommando van het 88e Legerkorps staat Wossowski, terwijl een Fernschreiben, een telexbericht, van Heeresgruppe B, Wossowsky vermeldt. Ook tegenwoordig zijn er nog verschillen. De Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge e.V. (de Duitse Oorlogsgravenstichting) hanteert Wossowski, terwijl de Deutsche Dienststelle (WASt), een informatiebureau betreffende voormalige leden van de Duitse Wehrmacht, Wossowsky schrijft.

Algemeen kan worden opgemerkt dat het om een in Duitsland zeer uitzonderlijke naam gaat waardoor onduidelijkheden gemakkelijk kunnen ontstaan.

Aangezien de Deutsche Dienststelle (WASt) de organisatie is waar de basisgegevens van Duitse militairen in oorsprong zijn ondergebracht, lijkt het voor de hand te liggen de gegevens van deze instelling als de meest betrouwbare te beschouwen.

Na de oorlog
Kort na de bevrijding ontstond de behoefte het bergen van gesneuvelde militairen en overleden burgers, van wie de graven over het gehele land verspreid lagen, centraal te regelen. Hiertoe werd de Dienst Identificatie en Berging, ressorterende onder het Ministerie van Oorlog, in het leven geroepen. Dit legeronderdeel stond onder leiding van Luitenant-Kolonel Dr. A. van Anrooy, en was onder meer belast met het samenbrengen van “isolated graves” (afzonderlijke graven) van Duitse soldaten. Voor de overige militaire graven waren de geallieerde legerautoriteiten verantwoordelijk.

Ondanks dat de genoemde landmachtdienst belast was met deze taak, werd op 1 augustus 1945 onder leiding van de Dienst Gemeentewerken van de gemeente Renkum een begin gemaakt met het opgraven van de gesneuvelde Duitse militairen in Oosterbeek en omgeving.

De lijken verkeerden in een verre staat van ontbinding. Een eventueel aanwezig identiteitsplaatje of naam op het grafkruis diende als bewijsmiddel voor het vaststellen van het persoonlijke legernummer of de naam van de gesneuvelde. Vaak werden geen voorwerpen voor een positieve identificatie aangetroffen. Wanneer bij de lichamen identiteitsplaatjes werden gevonden, bleken dit altijd halve exemplaren te zijn. Daarom werd aangenomen dat bij de eerste begraving het vaststellen van de naam en ander relevante gegevens onder toezicht van de Duitsers had plaatsgevonden, waarbij deze de andere helft van het plaatje hadden meegenomen.

De identiteitsplaatjes die Duitse militairen droegen, waren van metaal, en bestonden uit twee identieke delen met op elke helft het legernummer en meestal de gegevens van het onderdeel waarbij de betreffende militair oorspronkelijk was opgekomen. Wanneer een soldaat om het leven kwam, werd één helft van het plaatje afgebroken en via de legereenheid waarbij hij op dat moment diende, opgestuurd naar de Wehrmachts-Auskunftstelle in Berlijn. De andere helft bleef bij de overledene achter.

Van een daadwerkelijke positieve identificatie door de Renkumse Dienst Gemeentewerken kon in eerste instantie vaak geen sprake zijn omdat de gegevens die op de plaatjes werden aangetroffen, niet ontcijferd konden worden. Om deze te kunnen herleiden, en zo de naam van de gesneuvelde te achterhalen, was namelijk contact nodig met de Wehrmachts-Auskunftstelle in Berlijn, en die contacten waren er op dat moment niet. Bovendien werden op de grafkruizen soms teksten in gotisch schrift aangetroffen. Een lettertype waarmee niet iedereen bekend was.

De stoffelijke overschotten werden op de dag van opgraving overgebracht naar het Ehrenfriedhof Zypendaal, de Duitse militaire begraafplaats in Arnhem. Daar werden zij onder een volgnummer met daarbij de R van Renkum ter aarde besteld. Vanwege ruimtegebrek op het grafveld werden twee lijken boven elkaar begraven. Het bergen van de lichamen zou tot 1 oktober 1945 duren. In totaal waren toen 418 Duitsers bijgezet. Al snel bleek dat her en der nog graven in de gemeente aanwezig waren, waardoor het werk op 22 oktober 1945 werd hervat. Uiteindelijk werd op 26 juni 1946 het laatste stoffelijke overschot naar Arnhem overgebracht, waarna het totale aantal 454 Duitse gesneuvelden bedroeg.

Onder hen waren Steckhan, Dinkel en Wossowsky.

Ook na de Slag om Arnhem kwamen, waarschijnlijk ten gevolge van geallieerde beschietingen, zeker 35 Duitse militairen in Oosterbeek en omgeving om het leven, waarvan bijna de helft in oktober 1944.

Arnhem, Ehrenfriedhof Zypendaal
De Duitse militaire begraafplaats Ehrenfriedhof Zypendaal, destijds gelegen nabij de kruising Schelmseweg / Deelenseweg in de bossen van Schaarsbergen aan de rand van Arnhem, was al vanaf de meidagen van 1940 in gebruik.

Arnhem was in deze periode een stad achter het front bij de Grebbeberg waar goede medische voorzieningen te vinden waren. Op zaterdag 11 mei 1940 werd op last van de Duitse autoriteiten het Diaconessenhuis ontruimd. De dag erna onderging het St. Elisabeths Gasthuis hetzelfde lot. Daarnaast hadden de Duitsers de Industrie School aan de Rijnkade als noodziekenhuis in gebruik genomen. In deze hospitalen werden zowel Duitse als Nederlandse militairen verpleegd.

In de eerste maanden van de oorlog werden op het Ehrenfriedhof Zypendaal ongeveer 100 gesneuvelde Duitsers begraven die hadden deelgenomen aan de inval in Nederland.
In de periode daarna werden tot 17 september 1944 ongeveer 400 doden op de militaire begraafplaats ter aarde besteld. Een aanzienlijk deel hiervan behoorde tot het vliegende personeel van de Luftwaffe. Daarnaast werden Duitse militairen begraven die door geallieerde bombardementen en beschietingen, ongevallen of ziekten om het leven waren gekomen.
Vanaf het begin van de Slag om Arnhem tot aan het einde van de oorlog werden er ongeveer 250 militairen begraven, van wie rond de 150 tijdens de gevechtshandelingen van september 1944. Uiteindelijk waren dus ongeveer 750 graven van Duitse soldaten op de dodenakker te vinden.

Na de bevrijding werden, naast de eerder genoemde 454 gesneuvelden uit de gemeente Renkum, 548 stoffelijke overschotten die werden aangetroffen in Duitse veldgraven in de gemeente Arnhem, overgebracht naar het Ehrenfriedhof Zypendaal. Onder deze ruim 1000 omgekomen militairen bevinden zich nu nog steeds rond de 330 onbekenden, van wie de meeste zeer waarschijnlijk het leven hebben gelaten tijdens en ten gevolge van de Slag om Arnhem.

Van de 548 militairen die na de oorlog werden aangetroffen in Duitse veldgraven in de gemeente Arnhem, sneuvelden ruim 110 na de Slag om Arnhem, van wie 30 in oktober 1944 en 60 in april 1945.

Tussen 2 augustus 1948 en 12 februari 1949 zijn de stoffelijke resten door de Dienst Identificatie en Berging overgebracht naar de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn.

In de jaren na de oorlog zijn bij grondwerkzaamheden nog diverse Duitse gesneuvelden in Oosterbeek en omgeving aangetroffen. Deze zijn rechtstreeks naar Ysselsteyn vervoerd. De meest recente vondst is die van een Duitse militair van de Kriegsmarine bij de Westerbouwing begin 2008.

De Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn
Enkele kilometers zuidwestelijk van Ysselsteyn, een plaats in de gemeente Venray in de provincie Limburg, ligt de Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn. Bijna 32.000 gesneuvelde soldaten hebben hier hun laatste rustplaats gevonden. Nagenoeg alle in Nederland aangetroffen Duitse graven zijn na de oorlog geruimd, waarna de stoffelijk overschotten naar deze dodenakker zijn overgebracht.
De begraafplaats is door de Dienst Identificatie en Berging, de latere Gravendienst van de Koninklijke Landmacht, aangelegd, en vervolgens beheerd. Door alle in Nederland omgekomen en ter aarde bestelde Duitsers bij elkaar te begraven, dacht men op de beste manier te kunnen zorgdragen voor de instandhouding en de verzorging van de graven. Op 15 oktober 1946 nam de Dienst een aanvang met de overbrenging van stoffelijke resten naar Ysselsteyn.
In 1950 begon men de graven van de onbekenden te openen om, met behulp van moderne onderzoeksmethoden en in nauwe samenwerking met de Duitse autoriteiten, te trachten de identiteit alsnog vast te stellen. Hierdoor kon aan 7330 doden een naam worden gegeven.
In 1976 is het beheer van de begraafplaats overgegaan in handen van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge, die nu de verantwoordelijkheid voor het grafveld draagt.
De meeste Duitse militairen rusten op deze begraafplaats in een eigen graf. Daarnaast zijn in een aantal graven meerdere gesneuvelden samengebracht. De graflocaties zijn van uniforme natuurstenen kruizen voorzien. Op de tekstplaat staan de familienaam, de voornaam, en in de meeste gevallen ook de rang. Verder de geboorte- en de overlijdensdatum, en de vak-, rij- en grafaanduiding. De namen van de militaire eenheden ontbreken.

Op deze begraafplaats zijn ook de graven van Bootsmann Alfred Steckhan, Gefreiter Wolfgang Dinkel en Oberleutnant Artur Wossowsky te vinden.

De oorspronkelijke versie van dit verhaal werd als Ministory No. 84 gepubliceerd door de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum Oosterbeek in 2004.

Het artikel werd destijds geschreven met dank aan Geert Maassen, Peter Vrolijk, Jan Hey, Willem Tiemens, Tom Kuipers, Robert Markus, David van Buggenum, Karl-Heinz Voigt, Theo van der Pas, Emy Thorissen, Erwin Heck (Dld.) en Anneliese Bauer (Dld.).

Historie